Een aantal dagen geleden kwam in het nieuws dat de tijdens de coronapandemie bekend geworden dokter Gommers de noodklok luidde over de bouw van windmolens op vrij korte afstand van zijn eigen woning.
"Windturbines maken lawaai, veroorzaken trillingen, creëren slagschaduw en er komt Bisfenol A (chemische stof) vrij in het milieu bij slijtage van de windturbinebladen. Zet windturbines minimaal op twee kilometer afstand van bewoners".
Toevallig had ik eerder deze maand ook een
lang interview beluisterd door Jorn Luka met Bert Weteringen , die het boek 'Windhandel' schreef.
Tot slot kwam Marianne Zwagerman met een videoreportage over de presentatie van een uitgebreid rapport van de hand van Elze van Hamelen dat ze in opdracht van Clintel schreef. Kortom , dit thema leeft.
Tot mijn verwondering is er buiten deze audio-informatie weinig rechtstreeks online te vinden. In de meeste officiële wetenschappelijke informatie wordt geringschattend over 'annoyance' (irritatie,ergernis) gesproken en zelfs gesmaald over het 'nocebo-effect' wat neerkomt op 'het zit tussen de oren'.
Het beste kunt u het rapport zelf bestellen in papierformaat of gratis een pdf-exemplaar aanvragen door uw emailadres achter te laten op de inschrijfpagina.
Uit dit rapport deel ik de uitgebreide samenvatting met u, waarbij er niet eens aandacht was voor een ander zorgwekkend aspect wat bij de bouw van windmolens komt kijken: de ongelooflijke hoeveelheid balsahout die ervoor gekapt wordt in met name Ecuador, waardoor een geheel ecosysteem bedreigd wordt tot en met de inheemse bevolking..
Door het hele land worden bewoners geconfronteerd met windparkplannen nabij hun woning. Ze voelen zich hierdoor overvallen. De plannen blijken een lange voorgeschiedenis te hebben, waar maar weinig tegenin te brengen lijkt. Clintel vroeg aan onderzoeksjournaliste Elze van Hamelen om in kaart te brengen wat er allemaal speelt rondom de bouw van industriële windturbines op land.
Het is namelijk een complex dossier: er spelen bestuurskundige, juridische, wetenschappelijke en technische vragen, die allemaal op elkaar inhaken in een politiek proces, waarbij een lobby een dominante positie heeft. Voor de gemiddelde burger is het een uitdaging om hier grip op te krijgen.
Hieronder volgt een beknopte samenvatting van de belangrijkste bevindingen uit het rapport.
De plannen voor de grootschalige uitrol van een weersafhankelijke energievoorziening, vinden hun oorsprong in afspraken die op supranationaal niveau zijn genomen in 1992, met het aannemen van het VN Klimaatverdrag. Via de EU worden de eisen die dit verdrag stelt, vertaald in nationale wetgeving. De wetgeving wordt vervolgens uitgewerkt aan poldertafels, tot bijvoorbeeld het Klimaatakkoord (2019) en de RES-Regio’s (Regionale Energiestrategie).
De besluitvorming voor het VN-verdrag, het Klimaatakkoord en de RES verloopt niet via het parlement. Voor de RES-overleggen mist er zelfs een juridische basis. Ministeries, energiebedrijven, maatschappelijke organisaties en lokaal bestuur zijn bij de poldertafels aanwezig; de gemiddelde burger heeft er geen weet van, en is buitengesloten van effectieve inspraak op beleid dat vergaande gevolgen heeft voor zijn leefomgeving.
De bestaande normen voor industriële geluidsoverlast vormen een obstakel voor de ambitieuze plannen voor meer wind op land. Om plaatsing van industriële windturbines mogelijk te maken, werd in 2011 met het Activiteitenbesluit een aparte norm voor windturbines ingevoerd. In plaats van het meten van geluidsniveaus ter plekke, mogen exploitanten een jaargemiddelde geluidsbelasting berekenen. De turbines staan een deel van de tijd stil, de rest van de tijd zijn ze vrij om ver boven voorheen geaccepteerde normen voor overlast te zorgen. De minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening was ervan op de hoogte dat de nieuwe norm niet handhaafbaar, uitvoerbaar of controleerbaar was, en dat de norm de burger niet beschermde. Deze informatie werd niet met de Tweede Kamer gedeeld.
Al sinds het begin van de bouw van windturbines in de jaren ’90, rapporteren omwonenden klachten, zoals slaapproblemen, hoofdpijn, migraine, oorsuizen, prikkelbaarheid en concentratieproblemen. Het klachtenpatroon is bij artsen en in de volksmond het ‘windturbinesyndroom’ gaan heten. Windturbines veroorzaken naast gewoon lawaai ook laagfrequent geluid, dat wel voelbaar, maar niet voor iedereen hoorbaar is. Dit laagfrequente geluid lijkt de oorzaak te zijn van de gezondheidsklachten.
Tegelijkertijd wordt nagelaten om de benodigde grootschalige veldonderzoeken te doen die schade door windturbines aantonen. Toch stapelt in de afgelopen jaren het wetenschappelijk bewijs voor gezondheidsschade door windturbines zich op: de turbines lijken wel degelijk slaapproblemen te veroorzaken, met alle gevolgen van dien, en de laagfrequente drukgolven kunnen bestaande hartklachten verergeren. Kinderen lopen wellicht het risico op blijvende leer- en ontwikkelingsachterstanden.
Bij besluiten beroepen bestuurders, rechters en politici zich op de rapporten van het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu). Het RIVM voert zelf geen veldonderzoeken uit, maar produceert literatuurstudies die niet aan peer-review onderhevig zijn. In deze studies blijkt het RIVM zeer selectief met de bestaande wetenschap om te gaan. Belangrijke onderzoeken worden niet meegenomen en over belangenverstrengeling in gebruikte onderzoeken wordt niet transparant gerapporteerd. Hierdoor zijn de besluitvoerders niet juist geïnformeerd over de stand van de wetenschap en de risico’s voor de volksgezondheid.
Windturbines blijken volgens onderzoek van Universiteit Wageningen mogelijk een grotere impact te hebben op vogelpopulaties dan eerder verwacht. Uit onderzoek uit Duitsland blijkt dat windturbines mogelijk nadelige effecten hebben op insectenpopulaties en daarmee de voedselvoorziening. De turbinebladen bestaan uit toxische materialen, waaronder grote hoeveelheden bisfenol A en plastics. Op al deze gebieden ontbreekt de kennis voor een juiste risico-inschatting.
In het kader van voorzorg zou dit in kaart gebracht moeten worden, voordat verdere grootschalige uitrol van wind op land plaatsvindt.
De windturbines die nu gepland worden, zijn niet langer 75-100 meter hoog, zoals de oude turbines, maar hebben hoogtes tot 280 meter. Dit is bijna zo hoog als de Eiffeltoren. Afgelopen jaar zijn er drie incidenten geweest met bladbreuken van dergelijke megaturbines op zee. Er zijn aanwijzingen dat vanwege de grootte, de nieuwe megaturbines aanzienlijk meer kwaliteitsproblemen hebben dan de kleinere oudere modellen. Omdat ze meer opbrengen, wordt er juist voor de grotere modellen op land gekozen. De bladbreuken verspreiden duizenden stukjes glasvezel, bisfenol A-houdend materiaal en andere chemicaliën over een groot gebied. Die grond is niet geschikt om dieren op te laten grazen of voedsel te verbouwen. Ook kunnen er risico’s zijn voor de gezondheid, vanwege woningen nabij de windturbines.
De ernstige overlast van windturbines, die met regelmaat krantenkoppen haalt, leidt tot veelvuldige rechtszaken. Gedurende tien jaar gaven de uitspraken van de Raad van State rugdekking aan de windindustrie.
Uitspraken van het Europees Hof leiden tot een doorbraak: bij het invoeren van nieuwe normen hadden door middel van een milieueffectrapportage (MER) de gevolgen voor milieu en gezondheid in kaart gebracht moeten worden. Dat blijkt uit de bepalingen van de strategische milieubeoordelingsrichtlijn (SMB-richtlijn) uit 2001. Doordat deze onderzoeken niet zijn uitgevoerd, zijn de vergunningen die zijn verleend op basis van het Activiteitenbesluit, onrechtmatig verstrekt.
De onrechtmatige situatie moet volgens het Hof hersteld worden, maar de Raad van State zoekt verschillende wegen om de jaargemiddelde geluidsnormen van het Activiteitenbesluit in stand te houden.
Een MER-onderzoek voor het bepalen van nieuwe windturbinenormen dient de onrechtmatige situatie te herstellen. Het onderzoek wordt door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat uitbesteed aan Arcadis. Dit is een adviesbureau dat veel opdrachten uitvoert voor de windindustrie. Zij stellen vervolgens geen onderzoek in, bijvoorbeeld naar de risico’s voor de gezondheid en de gevolgen van laagfrequent geluid, maar beroepen zich op literatuurstudies van het RIVM, waarna ze vervolgens stellen dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat windturbines gezondheidsschade veroorzaken, en dat verder onderzoek daarom niet nodig is.
Het MER-onderzoek vormt de basis voor de nieuwe windturbinenormen die in het najaar van 2024 bekend zullen worden gemaakt. Doordat nu weliswaar het proces van het MER-onderzoek is doorlopen, maar essentiële leemtes in kennis niet door onderzoek zijn ingevuld, is nog steeds niet aan de eisen van de SMB-richtlijn voldaan. Hierdoor voldoen de nieuwe windturbinenormen, net als de normen uit het Activiteitenbesluit, niet aan de wet. De vergunningen die onder deze normen worden verstrekt, zijn daarom juridisch aanvechtbaar, want onrechtmatig.
Zorgvuldig bestuur vereist vooraf kennis van feiten om een goede belangenafweging in beleidskeuzes te kunnen maken. Aan kwantitatieve kennis van feiten ontbreekt het in beleidsdocumenten. De technische haalbaarheid, de financiële kosten, het ruimtegebruik en de gevolgen voor economie en welvaart van de energietransitie, zijn onvoldoende gekwantificeerd om geïnformeerde keuzes te kunnen maken. In deze kennis moet eerst worden voorzien voordat de trein van de energietransitie doordendert.
Doordat de burger systematisch is buitengesloten van effectieve inspraak en door de wet niet wordt beschermd, is ageren tegen windparken een grote uitdaging. De beste kansen bestaan door in een heel vroeg stadium van beleidsvorming met de gemeente en provincie in gesprek te gaan, en actief alle plannen met betrekking tot de leefomgeving in de gaten te houden. In sommige gevallen worden de windparkplannen uitgesteld of afgezegd. Het is (nog) niet voorgekomen dat vergunningen voor bestaande windparken zijn ingetrokken. Succesvolle bewonersgroepen informeren hun medeburgers en omliggende bedrijven, waar overheden en exploitanten nalaten dat te doen. In dit rapport bieden we een toolkit voor burgers die zich zorgen maken over bestaande en nieuwe windturbines en daartegen willen ageren.
De problemen rondom de uitrol van wind op land dreigen uit te lopen op een drama zoals de toeslagenaffaire. Het aantal mensen dat ernstige overlast ondervindt van windturbines – ernstig wil zeggen dat ze niet hun normale leven kunnen leven door slaaptekort en gezondheidsklachten – is toegenomen van 1.500 personen in 2009 tot naar schatting 28.000 in 2019. Met de voorgenomen uitbreiding van megawindturbines op land, die vanwege ruimtetekort dichter bij woongebieden komen te staan dan voorheen, zullen deze aantallen sterk toenemen. De overheid gaat hierbij uit van 8-9% ernstig gedupeerden rondom windturbineparken. Hierin schuilen twee miscalculaties.
Ten eerste: relatief kleine turbines stonden tot nog toe in enigszins dunbevolkte gebieden. De nieuwe megaturbines worden geplaatst naast dichtbevolkte wijken en dorpen. Het aantal mensen met klachten zal dus enorm toenemen. We hebben het over ouders die zich langdurig ziek moeten melden vanwege slaapproblemen, of zelfs arbeidsongeschikt worden en over kinderen met leerachterstanden, en mogelijk blijvende schade in hun (hersen)ontwikkeling.
Ten tweede: de reële percentages voor ernstige overlast liggen dichter bij de 30% dan bij 8-9%.
De burgers die het betreft, voelen zich niet gehoord, lopen bij elk loket van de overheid tegen muren aan en worden door de wet niet beschermd.
Gezien het bovenstaande roept stichting Clintel op tot een pas op de plaats. Wij vragen om bezinning op het gevoerde beleid, het verzamelen van noodzakelijke informatie voor het maken van geïnformeerde beleidsbeslissingen, en een breed publiek debat. Daarom pleiten wij voor een moratorium op de verdere uitrol van wind op land totdat deze kennis is vergaard, en een debat over de kosten, baten en gevolgen van de energietransitie op lange termijn is gevoerd.
Inmiddels is in de podcast 'Op z'n Kop' nog een gesprek geweest met Diederik Gommers, waarin behalve aandacht voor de overlast van windmolens ook aandacht is geweest over de gebrekkige modellen rondom de coronapandemie: Over windmolens en het vertrouwen in instituten.